---------------------------------------------------------------------- Dit script zet je in de
  

  Rasstandaard

Volgens het F.C.I. (Federation Cynologique Internationale) van 27 januari 1978. Een Frans-Belgisch ras.

Algemeen voorkomen: Een levendig en speels hondje, vlug in al zijn bewegingen, met een snuit van middelmatige lengte en spiraalvormig gelokt haar, dat enigszins overeenkomt met de vacht van een Mongoolse geit. De kop wordt hoog en fier gedragen, de donkere ogen zijn levendig en hebben een verstandige uitdrukking.

Hoofd: De schedel is langer dan de snuit, het hoofd is in juiste verhouding met het lichaam.

Neuspunt: Afgerond, geheel zwart, met een fijn blinkende huid.

Lippen: Fijn, tamelijk aansluitend. maar minder dan bij het Schipperke; de bovenlip juist hangend genoeg om de onderlip te bedekken zonder daarom zwaar, noch zichtbaar zijn, het slijmvlies niet laten zien als de muil is gesloten.

Gebit: Het gebit is normaal, dat wil zeggen dat de snijtanden van de onderkaak zich onmiddellijk tegen en achter snijtanden van de bovenkaak komen te plaatsen.

Snuit: Mag noch zwaar, noch grof, zonder nochtans te fijn zijn: de kaken zijn vlak en niet te zwaar bespierd. De stop is maar even aangeduid. De groef tussen de wenkbrauwen is lichtjes zichtbaar.

De ogen: De ogen zijn donker, met zo donker mogelijke oogleden: ze zijn eerder rond dan amandelvormig. Zij liggen niet schuin, zijn levendig, niet te groot en laten het oogwit niet zien. Zij zijn noch groot, noch uitpuilend zoals bij het Brussels Grifonnetje en bij de Pekingees. De oogholten zijn niet vooruitspringend en de oogappel mag op geen enkele wijze vooruitkomen.

Oren: De oren zijn afhangend, bedekt met lang en fijn gekroesd haar, naar voren gedragen als zijn aandacht getrokken wordt, echter zodanig dat de voorkant de schedel raakt en er zich niet schuin van verwijderd. De lengte van de oorlellen moet niet tot aan de neuspunt reiken, zoals bij de Poedel, maar enkel tot aan het midden van de snuit komen. De oren zijn minder breed dan bij de Poedel.

Schedel: Bij het betasten is de schedel eerder vlak, alhoewel zijn haarkleed hem gewelfd doet schijnen.

Hals: De hals is tamelijk lang en wordt hoog en fier gedragen. Hij is rond en fijn in de nabijheid van de schedel, zich geleidelijk verbredend om zich in de schouder in te schuiven. De lengte is bijna het derde van romplengte (dus 11 centimeter en 33 centimeter voor een hond van 27 centimeter). Het uiteinde der schouderbladen aan de schoft wordt voor dit laatste als basis aangenomen.

             Romp en ledematen

Schouders: Tamelijk schuin en vlak aanliggend, de indruk gevend van ongeveer de lengte te hebben van de bovenarm, dus ongeveer 10 centimeter; deze laatste is dicht bij de borstkas liggend en de elleboog mag vooral niet naar buiten wijken.

Voorhand: De voorarmen zijn recht, van voren af gezien, evenwijdig fijn botten; de gewrichten zijn kort en recht, echter lichtjes afhellend van de zijkant af gezien. De nagels zijn bij voorkeur zwart, maar dit is een moeilijk bereiken ideaal.

Borstkas: Goed ontwikkeld, de voorborst goed afgetekend, de achterste ribben goed gerond en niet plotseling verminderend, daar de borst over geheel haar lengte niet plotseling mag verminderen en een tamelijk grote maat moet hebben.

De flanken: De flanken daarentegen zijn tamelijk opgetrokken; het vel is fijn en eerder strak aansluitend, hetgeen een tamelijk hazewindachtig voorkomen geeft.

Lenden: Breed, gespierd, de hoekingen schuin, de spronggewrichten meer gehoekt dan bij de Poedel; de voeten goed gesloten.

Staart: Gewoonlijk wordt de staart hoog gedragen en sierlijk over de rug gebogen, in de richting van de ruggengraat, maar zonder opgerold te zijn. Hij mag niet afgekort worden de rug niet raken, maar de haarbekleding mag zulks wel.

    Vacht

Pigmentering: Deze is bij voorkeur donker onder de witte vacht, de geslachtsdelen zijn dan zwart, blauwachtig of beige gekleurd, gelijk de vlekken en stippen die men ook op het vel aantreft.

Kleur: Zuiver wit.

Beharing: Fijn, zijdeachtig, losjes, spiraalvormig hangend zoals voor de vacht van de Mongoolse geit; dus noch plat, noch gekoord; lengte 7 tot 10 centimeter.

Toilet: Het ras mag voorgebracht worden met alleen de snuit en voeten geschoren.

Hoogte: De schofthoogte mag niet meer dan 30 centimeter zijn; de kleinere maten genieten de voorkeur.

Uitsluiting: De fouten, die uitsluiting tot gevolg moeten hebben, zijn boven- of ondervoorbijter zo erg dat de snijtanden elkander niet meer raken. Roze neuspunt, vleeskleurige lippen, bleke ogen, cryptorchiden, gerolde of schroefvormige staart, zwarte vlekken in de vacht.

Te vermijden fouten:  Het pigment zich uitbreidend in de vacht en daar rosse vlekken vormend. De vacht vlak, gegolfd, gekoord of te kort. Monorchiden, Boven- of ondervoorbijter in een mindere graad dan hierboven beschreven.